Theunis van Berkum


Theunis Hendriks van Berkum, geboren te Enkhuizen op 30 juli 1782, overleden te Easthim op 4 oktober 1858 op 76-jarige leeftijd.

Hij is getrouwd te Enkhuizen op 25 januari 1806 op 23-jarige leeftijd met

Leentje Jans Dekema, 21 jaar, geboren op 2 februari 1784 te Enkhuizen, overleden te Easthim op 18 september 1856 op 72-jarige leeftijd.

Hij werd Minister Verbi Divine oftewel dienaar van het Goddelijke Woord. Hij is achtereenvolgens hervormd predikant te:

Schoorl en Groet                                     van    1806 1810

Winkel                                                     van    1810 1813

Jislum en Wnswert                              van    1813 1827

Garyp, Sumar en Jernewld                 van    1827 1835

Easthim, Abbegea en Folsgeare          vanaf 1835

Hij werd in zijn leven zwaar beproefd. Toen hij in 1858 stierf, waren zijn vrouw en 8 van de 11 kinderen hem reeds voorgegaan. Bereikten hij en zijn vrouw een voor die tijd hoge leeftijd, dit kan niet voor zijn kinderen worden gezegd. Ook drie schoonzoons stierven jong.
Dat Theunis naar Frysln verhuisde is geen toeval, want zijn vrouw en haar familie stammen van vaders- en moederszijde uit deze provincie.

Op 3 februari 1856 herdacht hij het feit dat hij 50 jaar het ambt van predikant vervulde. Tijdens deze gelegenheid houdt hij de volgende preek.                                              

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

           

 

 

 

                                                                                                                               Ds. Theunis van Berkum

 

Voorrede.

            Nooit had ik iets van mijn werk laten drukken en had ook volstrekt geen plan, deze rede in het licht te geven. Er kwamen echter zo vele stemmen tot mij, die mij drongen, haar af te staan, om daarin een meer blijvend aandenken te hebben, dat ik ten laatste niet weigeren kon, zonder de schijn van onheusheid op mij te laden. Ik gaf eindelijk toe, met bedoeling, dat dit mijn woord zoude strekken tot aandenken van zovelen, in deze en mijne vorige gemeenten aan wien ik mij, door tedere banden verbonden gevoel. Zij mogen er een bewijs mijner liefde en genegenheid vinden. Lof en eer bij mensen heb ik met deze uitgave niet bedoeld; het is mij genoeg, als de mijnen mij slechts liefhebben. En komt deze mijne rede misschien in handen van vreemden, misschien ook in handen van enkelen mijner medebroeders in de Heilige Bediening, dan hoop ik, dat men vooral lette op dat gedeelte, waarin ik de inhoud mijner prediking in het kort heb geschetst, opdat zij bij de strijd dezer dagen mogen zien, bij welke prediking ik vijftig jaren lang vrede en rust voor mijn hart heb gevonden en opdat mijne ondervinding ook anderen dringe tot de liefde van Christus. Zo schenke God, ook over deze geringen arbeid van Zijnen grijzen dienstknecht Zijnen rijken Zegen.

                                                                                                                                                     Ds. Theunis van Berkum

 

Feestrede:

Gehouden ter viering zijner vijftigjarige Evangeliebediening.

 

Voorzang: Gezang 65:1

k Heb Jezus lief! Hij is mijn licht en kracht

waarheen ik mij in angst en droefheid wende;

ook wierd alom dien Redder uit ellende,

van mij, van elk die hulde toegebracht.

 

Voorafspraak.

            k Heb Jezus lief. Deze voor mij zo plechtige dag is ene getuigenis, dat Hij mij eerst heeft liefgehad, daar Hij ene herinnering is van hulp en de zegen, die ik in mijne Evangeliebediening ondervonden heb.

            k Heb Jezus lief! Dat is, Gode zij dank de getuigenis mijner grijsheid; maar ik had de Heere reeds vroeg lief, en als mijne vrome ouders mij, in mijne kindse dagen, de liefde van Christus reeds vroeg aanprezen maakte dit toen reeds een diepe indruk op mijn gemoed.

            k Heb Jezus lief! Vandaar dat de lust tot het leraarsambt mij al vroeg bezielde, omdat de liefde van Christus mij dwong Hem te prediken anderen tot nut. Hadden mijne jeugdige jaren en ene bijkomende omstandigheid het niet verhinderd, ik had het zendelingsveld betreden, om aan blinde heidenen Christus te verkondigen en hen voor Zijn rijk te winnen; maar mijn Heer had andere bedoelingen. Hij wilde mij in mijn Vaderland plaatsen om te arbeiden in Zijnen wijngaard. Maar mijn liefde tot de Heer was zo vurig, dat, had men mij de keus gelaten, om opgeleid te worden tot een der eerste ambten aan s Konings hof, of te worden tot een dienaar van Christus op een der geringste standplaatsen, waar ik slechts ene schrale bete broods had, ik dadelijk het laatste zou hebben gekozen.

            En God heeft mij, naar Zijne barmhartigheid, in de bediening des Evangelies gesteld. Vijftig jaren lang heb ik de Heer dien ik lief had verkondigd. Mijn hart dringt mij God mijnen dank te brengen daar ik Hulpe van Hem gekregen hebbende, sta ik tot op dezen dag.

Komt storten wij onze dank uit in het

 

Gebed.

 

Tekst: Handelingen 26: 22a.

 

Hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op dezen dag.

            Gij gevoelt hoe aandoenlijk mij deze ure is, waarin ik voor u ben opgetreden, om mijne vijftigjarige Evangeliedienst plechtig te gedenken. O wat al stof tot blijdschap voor mij; hoeveel redenen tot vurige dankbaarheid jegens God mijns levens, voor Zijne goedertierenheid. Hoe dank ik Hem die mij geringe en onwaardige in mij zelven zo lang heeft ondersteund, in de heerlijke bediening, waarmede Hij mij heeft begunstigd; dat Hij mij, in vele opzichten ontrouwe gedragen en gespaard heeft. Hem, den God der liefde zij daarvoor in het openbaar de hulde gebracht!

            Maar juist omdat de dankbaarheid mij dringt, om Gods naam groot te maken, is het woord van onzen tekst als uit mijn hart gegrepen: Hulpe van God gekregen hebbende, sta ik tot op dezen dag. Paulus bevond zich te Jeruzalem, toen enige Joden een oproer tegen hem verwekten, zeggende: Deze is de mens die tegen het volk en de wet in deze plaats allen overal leert; bovendien heeft hij ook Grieken in de tempel gebracht, en heeft deze heilige plaats ontheiligd. Dit oproer ging zo ver, dat men Paulus zoude hebben gedood, zo niet de overste der Romeinse bende met zijn krijgsknechten hem was te hulpe gekomen. Deze nu voerde hem gebonden naar de legerplaats, nadat hij zich eerst voor het volk had verantwoord (Handelingen 21).

            Daarna verdedigde hij zich voor Festus, die in de plaats van Felix stadhouder was geworden (Hand. 25). Eindelijk verantwoordde hij zich voor den koning Agrippa in tegenwoordigheid van Festus.

            Die laatste redevoering voor Agrippa gehouden, is in ons teksthoofddeel geboekt. Zij begint met ene gepaste inleiding. Daarop volgt zijne verantwoording zelve, waarin hij niet alleen zijn persoon en zijn gedrag verdedigt, maar ook, en inzonderheid de leer, welke hij gepredikt had, welke deze bedoeling had: dat die haar hoorden zich zouden beteren en tot God bekeren, werken doende der bekering waardig (vers 20). Om deze dingen nu, zo sprak hij, hebben de Joden mij gegrepen en gepoogd mij om te brengen. Dan hulpe van God verkregen hebbende, sta ik tot op dezen dag.

Ik wil:

  I.  De woorden van onze tekst kortelijk toelichten.

 II.  Dan zien hoe die woorden ons kunnen dienen voor de plechtigheid van deze dag.

III.  Als wij de woorden van de tekst kortelijk zullen toelichten, dan vinden wij daarin, vooreerst: Het getuigenis van Paulus, dat hij stond tot op dien dag, en ten tweeden: de reden door hem opgegeven waarom hij dat voorrecht mocht genieten - hulpe van God gekregen hebbende.

                Wat het eerste aangaat, Paulus zeide: ik sta. Men kan dit onderscheidene betekenissen opvatten, die alle evenzeer op Paulus van toepassing zijn. Hij stond in weerwil, dat de Joden hadden gepoogd hem te doden, was hij nog bewaard door Gods hulp. Hij stond, in weerwil van de tegenstand dien hij ondervonden had, stond hij vast in de waarheid, welke hij beleden had en verkondigd, en zonder vreze durfde hij zijn beschuldigers onder de ogen te zien en getuigen niets gezegd te hebben buiten hetgeen de profeten en  Mozes gesproken hebben, dat geschieden zoude: dat de Christus lijden moest, dat Hij de eerste uit de opstanding der doden zijnde, een licht zoude verkondigen dezen volke en de heidenen (vers 22, 23). Hij stond ijverig in zijne bediening en in zijne roeping, en hij liet deze ook niet varen al was hij in banden, en van Christus zwijgende zou hij nooit.

                Nog stond hij als Apostel van Christus. Hij had reeds gedurende geruime tijd in de dienst van zijnen Heer gearbeid. Hij spreekt van ene tweede komst te Jeruzalem. Te Iconin verkeerde hij geruime tijd, zo vaak te Antiochi. Hij spreekt van veertien jaren, die er sinds zijne bekering waren verlopen. Later bracht hij drie jaren te Efeze door. Ja, hij had vele jaren in de wijngaard van zijnen Heer gearbeid en nog stond hij en getuigde voor Christus. En, zegt hij, ik sta tot op dezen dag. Wij vinden daarin ene duidelijke getuigenis, dat hij al de verlopen tijd standvastig was gebleven, en volhard had in zijne taak. De ijver, die zo vurig in hem brandde was niet verzwakt. De tegenspoeden hadden hem de moed niet ontnomen; de kracht zijner prediking was niet verminderd. Neen hij stond nog in dezelfde geest, in dezelfde ijver, in hetzelfde geloof als, als weleer. Hij bleef volharden in zijne roeping en beijverde zich om die taak te vervullen, waartoe hij door Christus zelve geroepen was, Die hem tot zijnen Apostel had verkoren, hij stond nog vol moed, ofschoon onbewust van hetgeen hem in het vervolg zoude overkomen. De hulpe van God, welke hij zo lang had ondervonden, was hem ene vertroosting en bemoediging voor het overig gedeelte van zijne loopbaan, om die standvastig en blijmoedig te voleindigen.

 

                Maar ten tweeden vinden wij in de tekst de reden door Paulus opgegeven, waarom hij dat voorrecht mocht genieten; - hulpe van God verkregen hebbende -. Van zichzelf had Paulus niet staande kunnen blijven, daarom geeft hij in de woorden de kracht op, welke hem had gesteund. De ondervinding van de hulpe Gods maakte den Apostel moedig, en sterkte zijn vertrouwen. Hoevele proeven had hij ook niet van de hulpe Gods ondervonden?

                Nauwelijks was hij in de dienst van zijnen Heer getreden, of de Joden te Damascus zochten hem te doden, maar die Christenen lieten hem bij nacht, in een mand over de stadsmuur neder. Hier bij de aanvang kon hij reeds roemen, hulpe van God verkregen hebbende

                Te Lijstere werd hij, na een wonder door Hem verricht, eerst aangezien .voor ene godheid, maar door de woede der Joden van Anthiochi en Iconin stenigde men hem en sleepten hem buiten de stad, menende dat hij dood was; maar hij leefde en ook daar ondervond hij de hulpe Gods.

Te Filippi werd hij gegeseld, en in de gevangenis in de stok gesloten; maar door ene aardschudding, die ook de deuren der gevangenis opende, werd hij gered, door de hulpe Gods. Hier en in vele andere gevallen en ontmoetingen heeft Paulus de bijzondere hulpe van God ondervonden.

                Hij had dan ook wel reden om die hulpe Gods te erkennen, daar hij niet op de tweede, maar op de eerste oorzaak zag van de hulp, welke hem te beurt viel, en op welke hij nooit te vergeefs had gehoopt. Hulpe van God verkregen hebbende sta ik tot op dezen dag. Tot dien dag had hij niets gezegd, dat geschieden zoude. Paulus erkende ook elders: Niet, dat wij van ons zelven bekwaam zijn iets te denken als uit ons zelven; maar onze bekwaamheid is uit God, die ons ook bekwaam heeft (om te zijn) dienaars der N,T. (2 Kor.3: 5, 6). God had hem ondersteund en bijgestaan, zodat hij in vele beproeving beveiligd bleef, en ge-sterkt om met toenemende ijver het Evangelie te prediken. De krachtige hulp van Zijnen God had hem in alles bemoedigd, om standvastig voort te gaan, en getrouw te blijven, in de vervulling van de hem op-gelegde plichten, en van de bediening waartoe Zijn Meester hem geroepen had. Hulpe van God verkregen hebbende! Vraagt gij, waarom Paulus dit woord uitsprak? Het moest dienen, om zijn persoon en zijne leer tegenover zijne vijanden te verdedigen. Wat stond hij nog, tot op dien dag, om van die dingen te betuigen - dat was een blijk van zijne onschuld, door God beschermd; van zijn goed vertrouwen in zijne zaak als door God gesteund. Had God hem toch uit, vele gevaren gered, en hem zoveel hulp bewezen, en hem bekwaam gemaakt, om de eer van zijnen Meester te verdedigen -, dan was zijn werk, ook niet een werk uit hem zel-ven, maar uit God. Daarom roemde Paulus in de hulpe, welke hij van God verkregen had, tot heilige bediening, waartoe zijn meester hem geroepen had.

 

II. In het tweede gedeelte onzer rede, willen wij zien: Hoe de woorden van onze tekst kunnen dienen voor de plechtigheid van dezen dag.

                Twee hoofdgedachten kunnen wij uit de tekst afleiden. Vooreerst: Gods ontvangene hulp en blijvende goedheid vordert erkentelijkheid van al zijne schepselen; en ten tweeden: Gods bijzondere hulp in bijzondere gevallen wekt de erkentelijkheid op, in de harten dergenen, die er in delen; en naarmate die ondersteunde hulp duurzaam is, wordt die erkentelijkheid der beweldadigden groter.

                Gode ontvangene hulp en blijvende goedheid, vordert zeide ik, erkentelijkheid van al zijne schepselen.Dat is zo natuurlijk, zo waar, zo algemeen aangenomen, dat elk redelijk wezen die erkentelijkheid, zo al niet openbaart, dan toch voor betamelijk houdt en voor plicht.

                God nu, die aan allen het aanwezen geschonken heeft, onderhoudt dat gestadig. Hij doet aan allen wel. Hij schenkt Zijne hulp op het pad des levens, niettegenstaande velen Hem zo ondankbaar en liefdeloos behandelen. Hij is allen in liefde nabij en schenkt aan allen Zijne hulp.

                Gods goedheid is bovendien bestendig en duurzaam, en zij, die Hem vrezen, merken het gedurig op. Ja Hij verzorgt en bewaart Zijne lieve kinderen. Door Zijne hulp worden zij terug gehouden van het kwaad, verzekert Hij hun Zijne genade, zodat het gevoel hunner zonde hen niet leidt tot vertwijfeling en wanhoop. Zij ondervinden bovendien het zaligende van Gods gemeenschap. Wat is er dan natuurlijker, dan dt ieder beweldadigde Gods lof vermeldde voor Zijn blijvende hulpe en goedheid.

                Zelfs zij, die in de krachten der natuur hunnen God menen te vinden, of de natuur zelve voor de Godheid houden: Ja, zij zelfs die in de wereld leven als ware er geen God, erkennen dat in het gemeen hulp en goedheid hun van anderen betoogd, dankbaarheid vordert. Zij zullen toestemmen, dat in het gemeen alle redelijke schepselen erkentelijk behoren te zijn, voor het ondervondene goedheid en hulp.

                En zouden wij dan, die God als de liefde kennen, die Zijne hulp en goedheid ondervinden, niet willen belijden, dat erkentelijkheid jegens God plicht is, ja, dat het ons betaamt Hem voor Zijne hulp gedurig, met aanbidding te verheerlijken.

                Maar dit leidt mij tot het tweede wat ik noemde. Gods bijzondere hulp in bijzondere gevallen ondervonden wekt tot erkentelijkheid op, in de harten dergenen die er in delen; en naarmate die ondersteunende hulp duurzaam is, wordt die erkentelijkheid groter.

                Ik zelve ben het voorwerp van Gods hulpe en duurzame goedheid, op bijzondere wijze geweest, in weerwil van mijne onwaardigheid en niet tegenstaande mijne ontrouw en ondankbaarheid. God heeft mij welgedaan; hulpe van Hem verkregen hebbende, sta ik tot op dezen dag.

                Ik wil gedachtig zijn aan het weldadig bestuur Zijner liefde die mij heden vooral tot erkentelijkheid dwingt, ene erkentelijkheid, die te groter bij mij moet zijn, daar ik vijftig jaren lang Zijn hulp in de verkondiging van het zielzaligend Evangelie heb ondervonden. In al die jaren, die weggevallen zijn, ondervond ik Gods hulp en wel als mens en als Christen-leraar.

                Als mens heb ik des Heeren hulp in ruime mate mogen ondervinden. Van vrome ouders geboren, had ik het voorrecht, dat zij mij dagelijks aan den Hemelsen Vader aanbevolen, en Zijne hulpe en genade over mij afsmeekten. Maar bovendien mochten zij mij reeds vroeg tot Jezus en Zijne liefde te leiden. Zij zorgden, dat ik behoorlijk onderwezen werd in al hetgeen mijn geest kon vormen en mij kon voorbereiden voor de lessen der hogeschool, en de geleerde Clarisse, later hoogleraar te Leiden, werd mij tot een bekwaam leermeester geschonken.

                Ik trok naar de hogeschool. Tijdelijke omstandigheden waren de oorzaak, dat ik daar niet zo lang toefde, als mijne medeleerlingen. Evenwel de vurige geest tot het leraarsambt, verdubbelde mijn ijver en ik knoopte menigmaal de halve nachten aan de dagen, wensende en biddende, als een bekwaam arbeider in de wijngaard des Heeren geplaatst te worden. En de Heer heeft mijn ijver gezegend. Mijne gebeden zijn verhoord; Hem zij daarvoor de ere toegebracht.

                En God schonke mij hulpe. Van mijne jonkheid tot op dezen dag heb ik ene bestendige gezondheid mogen genieten. Slechts eenmaal heb ik de hulp van een nabuur en medebroeder behoeven in te roepen. Zijn naam moet daarvoor de eer ontvangen.

                En God schonk mij veel vreugde. Gisteren voor acht dagen was het ene halve eeuw geleden, dat ik met mijn geliefde echtgenoot in het huwelijk verbonden werd. God bracht ons bijeen, en wij mogen getuigen: wij behoren tot de gelukkigsten van Adams nakroost. En ons huwelijk was een huwelijk vol van vrede en liefde. Zuur en zoet deelden wij, en met genoegen droegen wij elkanders lasten. O, als wij nu ook een zaligen sterfdag mogen hebben, wie is dan gelukkiger dan wij het zijn?

                Mijne echtgenoot schonk mij elf lievelingen. Nog drie heeft God voor ons bewaard. Acht zijn uit onze armen weggerukt. Wij weten van bidden en te zwijgen. Het was leengoed. Hij eist het Zijne terug. Wij leggen de hand op de mond; wij zeggen en geloven: Zijn doen is wijsheid. Zijn doen is goedheid. De scherpe noorder- en oosterstormen hebben wel over onze hoofden gewoed; maar de zachte zuidenwind schonk ook weder verkwikking. Nooit was de beker, die God voor mij had bestemd zo bitter, of Hij liet er wel een zoete druppel invallen. De schaal van vreugde en zegeningen door Gods vaderliefde geschonken, heeft altijd het overwicht. Eeuwig dank! De hulpe Gods verkregen hebbende sta ik tot op dezen dag. Mijn lot en dat der mijnen zij Hem verder aanbevolen. Het is bij Hem in zulke veilige handen.

                Maar vooral gedenk ik, hoe ik als Christen leraar hulpe van God ontvangen hebbende, sta tot op dezen dag.

                Weinige dagen slechts stond ik, om zo te zeggen, op de markt, om mij tot de dienst des Evangelies  aan de gemeente aan te bieden. De tweede Februari 1806 werd ik in de gemeente Schoorl en Groet ingezegend, door den later zo beroemden Van Hengel.

                Die gemeente - ik had haar niet gewenst. Ik was beangst voor het koude Noord-Holland. Ik had ene gemeente gewenst waar men Jezus lief had en over de dingen van Zijn Koninkrijk gaarne sprak. Maar Gods wegen waren anders. Het behaagde Hem mij een onbeploegden akker ter bearbeiding te geven. Te Schoorl en Groet was in geen zeven jaren een eigen predikant geweest.

                De gemeente aldaar was aan allerlei ondeugden overgegeven en door de invasie der Engelsen en Russen in 1799 was het daar niet beter geworden en men rekende het schier ene schande het bedehuis te bezoeken.

                Dan, heb ik ook daar mogen ondervinden dat Hij, die mij er riep, getrouw was. De liefde van Christus, die mij dwong, maakte mij de weg, die ik bewandelen moest gemakkelijk. Ik wilde niets weten, dan Christus en dien gekruisigd. Die Jezus, die ik lief had, predikte ik hun en verkondigde hun Die aan hunne huizen, met die geest van liefde en zachtmoedigheid, die een dienaar van Christus betaamt.

                Was het daar, na een vierjarig verblijf in die gemeente, anders geworden. Nu was het een schande geworden, zo men uit de kerk wegbleef. O! Ik heb daar zo zeer de hulpe Gods verkregen. Zijn naam moet eeuwig eer ontvangen.

                In 1810 werd ik naar Winkel geroepen. Het verschil in staatkundige denkbeelden had daar een vuur van verdeeldheid ontstoken, dat nog hevig brandde. Ik predikte daar de liefde van God en Christus en kwam tot hen als een bode en verkondiger des vredes. De Heer zegende dat werk, en ook daar ontving ik de hulpe van Hem, die nooit beschaamd laat worden, die op Hem vertrouwen.

                Slechts drie jaren en negen maanden mocht ik daar arbeiden, toen ik in 1813 vertrok naar het mij onvergetelijke Wanswerd en Jislum. Daar heeft God mij bijzonder gezegend naar mijne uitwendige omstandigheden; maar in het bijzonder was mijne prediking daar tot een ongewonen zegen. Dagelijks werden de vruchten des geloofs en bekering er gezien, maar de eeuwigheid zal er nog meer van getuigen. Zijn naam zij daarvoor geloofd.

                Gaarne had ik te Wanswerd gedurende geheel mijn leven willen blijven; maar Gods wegen waren anders.

                In 1827 vertrok ik naar Garijp, Suameer en Eernewoude. Ook daar heb ik velerlei genoegens gesmaakt; ook daar was mijne prediking niet ongezegend; ook daar heb ik Gods hulpe verkregen en Zijne goedertierenheid ondervonden.

                In 1835 kwam ik tot u, gemeente Oosthem, Abbega en Folsgare. Nog weinige dagen en ik heb n en twintig jaren onder u mogen arbeiden. Ik heb u, even als mijne vorige gemeenten, ene prediking ge-bracht, welke ik zelf hartelijk geloofde, en waarop ik, als de koude hand des doods mij zal aangrijpen, vrijmoedig de eeuwigheid zal durven ingaan. Steeds was het verre van mij, dat ik de eer der mensen zoude zoeken; hoe was ik dan een dienaar van Christus geweest? Neen dan was de liefde van God in Christus niet in mij geweest. Neen, om Christus mijnen Heer heb ik alle dingen schade gerekend. Geen hope of verwachting zoude ik anders voeden voor de eeuwigheid, daar de grond die hope alleen is in Christus Jezus.

                Ik heb u Christus gepredikt. Ik heb u niet door de vreselijken donder der wet zoeken te verschrikken, om u te leiden tot ene wettische werkheiligheid. Neen, deze zoude u niet zaligen. Evenwel waarschuwde ik u ernstig tegen de paden der zonde, en predikte ik u de noodzakelijkheid van verandering en bekering, en hoe gij nieuwe schepselen moest zijn in Christus Jezus. Om u daartoe te leiden noodde en drong ik u  en speelde voor u op de fluit van het zielzaligende Evangelie. En de liefde van Christus drong mij daartoe, zo menigmaal ik voor u optrad.

                Ik heb u toegeroepen: God wil dat alle mensen zalig worden; Hij heeft geen lust in de dood der goddelozen, maar daarin, dat ze zich bekeren en leven; dit is een getrouw woord en aller aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om zondaren zalig te maken. En het heil door Christus aangeboden is door de werkende kracht des Heiligen Geestes het deel van velen in deze gemeente geworden. Velen uwer hebben Jezus gekozen, en getuigen, de zaligheid is geen andere.

                De harten, die zochten en vroegen naar de weg, de waarheid en het leven wees ik naar Jezus heen. Ik prees hun Zijn juk aan als zacht, Zijn last als licht. Alle wettische hinderpalen van vreze en schrik zocht ik hun te ontnemen. Ik riep hun toe: Gelooft in de Heere Jezus Christus - gelooft alleenlijk.

                En dat geloof in de Heere is ook onder u vruchtbaar geworden werkende in de liefde, en ik houd niet op u toe te roepen: Voeg bij uw geloven deugd, opdat gij daarvoor te meer van uwen weg verzekering moogt hebben.

                Zo heb ik u en in andere gemeenten gepredikt, en dankbaar aan de God mijn heils, roem ik Zijnen naam, dat ik het middel mocht zijn tot veler zaligheid, en dat ik, hulp van God verkregen hebbende, sta tot op dezen dag.

                En zo wens ik zolang de Heer mij daartoe in staat stelt, onder u te arbeiden. Ja gemeente!

de liefde van Jezus die mij in mij zelven onwaardige tot Zijn dienaar geroepen heeft, dringt mij daartoe. En al kon en wilde men mij alle voordelen en inkomsten, die aan deze standplaats verbonden zijn laten behouden, onder de voorwaarde dat ik Christus niet meer zoude prediken; - zonder beraad zoude ik zulk een voorstel afwijzen. In de hemel is mijn getuige, dat ik na waarheid spreek.

                En ik weet gij wilt mijne prediking gaarne blijven horen: O dank u, in deze plechtige ure, voor de achting en het vertrouwen welke ik n en twintig jaren lang van u heb mogen ondervinden.

                Ik beveel mij verder aan. Ik beveel mij vooral aan in uwe voorbede, opdat God mijn lichaams-krachten sterke, en mij bij mijne geestvermogens beware, om, totdat Hij mij oproept voor de eeuwigheid, met lust en ijver onder u te arbeiden.

                Ik bid u, draag mij in mijne zwakheden, welke de dag des ouderdoms mede brengt. Ik gevoel, ik ben overtuigd, dat gij, van harte mij wilt antwoorden, zeggende: dat willen wij doen! Ik heb grond tot die overtuiging, daar gij mij dagelijks de bewijzen uwer liefde biedt, en mij die vooral dezer dagen zo overvloedig geschonken hebt!

                Hulpe van God verkregen hebbende, sta ik tot op dezen dag.

En deze dag is mij een dag van dank en vreugde. Welmenende zegenwensen worden over mij uitgestort; aanzienlijke geschenken worden mij aangeboden; mijn hoofd wordt met ere gekroond. Het is mij groot; ik ben er dankbaar over. Maar ik weet, de wereld gaat voorbij, mijn leven op aarde neigt ten einde. Maar dan! O dan verwacht ik een onverwelkbare kroon. Dit is toch mijn verwachting en mijne hope, dat ik eens in de hemel delen zal in zalige gemeenschap der verlosten, die de Heer Jezus in Zijne verschijning - in onverderfelijkheid hebben lief gehad.

 

 

 

Gezang 76: 5b

 

Gij hebt Uw hulp mij dikwijls aangebon,

Gij zoudt mij die zo menigmaal van boven,

Verleen mij die nu weder in Uw Zoon,

Zo zal mijn hart, zo zal mijn mond U loven.

 

                Na het zingen van dit gezang, richtte ik het woord in de eerste plaats tot mijn geliefde zoon Hendrikus van Berkum, predikant te Nieuw Beerta, en daarna tot de vele aanwezige medebroeders in de heilige bediening die door hunne tegenwoordigheid hunne belangstelling toonden. Die toespraken kan ik hier niet mededelen, daar ze niet op schrift waren gebracht. Ten laatsten liet ik zingen:

 

Psalm 103: 1

 

Loof, loof den Heer, mijn ziel! met alle krachten

Verhef Zijn naam, zo groot, zo heilig te achten.

Och of nu al, wat in mij is Hem preez'!

Loof, loof, mijn ziel! den Hoorder der gebeden!

Vergeet nooit n van Zijn weldadigheden!

Vergeet ze niet; 't is God, die ze u bewees!

 

                Onder dit gezang verliet ik de predikstoel, die werd ingenomen door den Wel Eerwaarde Heer H. van Griethuizen, predikant te IJlst. Deze richtte nu in naam van de Ring IJlst, een recht broederlijk woord tot mij en de gemeente, dat hij besloot met het zingen van:

Psalm 146: 1

 

Prijs den Heer met blijde galmen!                                                             

Gij mijn ziel! hebt rijke stof.

'k Zal zo lang ik leef mijn psalmen

Vrolijk wijden aan zijn lof;

'k Zal, zolang ik 't licht geniet,

Hem verhogen in mijn lied.

 

                Nu beklom mijn zoon de kansel en sprak een woord van dank tot de gemeente en tot de broeders in de bediening en een hartelijk woord van liefde en dank tot mij. Eindelijk verzocht hij de gemeente hare gebeden met hem uit te storten in het                                            Hervormde kerk van Easthim

                                                                             

Na-gebed.

Daarna verzocht hij tenslotte te zingen:                                  

 

Psalm 134: 3 (met verandering)

 

Dat 's Heeren zegen op u daal',

Zijn gunst in Christus u bestraal',

Dat Hij u steeds zijn heil vermeer';

Looft, looft dan aller Heeren Heer.