Osinga State te Langweer
Uit: Heerenveensche Courant,  van J. Hepkema dd 5 juni 1889.

Van vogel "Phoenix" vertelden de Ouden, dat hij, om een verjongingskuur te ondergaan, zich om de honderd jaar naar Heliopolis (Zonnestad) in Egypte begaf, zich daar liet verbranden en dan weer in bloeiende kracht uit de asch verrees. Eene dergelijke gedaanteverwisseling heeft Osinga State ondergaan onder de handen van J. Hoogland en F. Haven, nadat het door verkoop in eigendom gekomen was van den heer W.H.

't Was nooit een trotsche burcht met diepe grachten, sterke wallen en hooge muren, zooals Camminga State te Goutum, maar toch herbergde het in lang vervlogen tijden onderscheiden adellijke geslachten.
Naar den naam te oordelen is het gesticht door de familie Osinga. Syds van Osinga was van 1619 tot 1652 en zijn zoon Sybrand van 1652 tot 1679 Grietman van Doniawerstal. Beiden woonden te Langweer, volgens de "Naamlijst van Grietmannen." Later is het waarschijnlijk bewoond geweest door Taco van Burmania en nog later door Johan Vegelin van Claerbergen, welke laatste vijftig jaar het ambt van Grietman dezer gemeente heeft bekleed. (1722-1772).

Als zoodanig opgevolgd in 1773 door Frans Julius Johan van Eysinga, zoon van Schelto van Eysinga, Grietman van Haskerland, gehuwd met Clara Tjallinga, dochter van Binnert Filip Aebinga van Humalda, Grietman van Hennaarderadeel, zal deze Frans Julius het slot gerestaureerd en met het oog op zijne zeven kinderen, waarschijnlijk vergroot hebben door er een tweede verdieping op te plaatsen.
De werklieden toch vonden bij 't af breken achter een lambrisering van den muur twee plankjes. Op 't eene stond geschreven: September 1779, Jacob Doedes van Stavoren; op 't andere: Sybren Sjoerds, gemaakt Augustus 1779.

Frans Julius was Grietman van 1773 tot aan de revolutie in 1795. Toen moest hij zijn post verlaten, doch waarschijnlijk is hij op Osinga State blijven wonen en zal het een zijner zonen geweest zijn, die door Napoleon gerequireerd om naar Parijs te komen, inplaats een veilige schuilplaats zocht op een eenzaam en afgelegen boerderij over de Koevoet , waar hij bleef tot aan den val van Napoleon.

Na de terugkomst des Konings en de wederinvoering der Grietenijen is F.J.J. van Eysinga - van 1795 tot 1812 bekleedde hij geene betrekking - weder aan 't hoofd der Grietenij gesteld en aan 't hoofd gebleven tot het jaar 1820, toen hij zijne betrekking nederlegte en beurtelings woonde te Langweer  en Leeuwarden. Hij was lid van de Provinciale Staten en van de Ridderschap van Friesland, overleed in 1828 en zijne weduwe in 1830. Osinga State is nog vele jaren bewoond gebleven door zijne nakomelingen.

Dat de familie v. E. bij de bewoners  van Doniawerstal in 't algemeen en bij die van Langweer c.a. in 't bizonder steeds in hoog aanzien heeft gestaan weten de jongeren van hunne ouders en grootouders.
Nooit anders dan met lof werd en wordt er over haar gesproken en een der laatste bewoners van het slot, die op bizonder gemeenzamen voet leefde met zijnen dorpelingen en huurders en zeer bemind was bij allen, die hem kenden, heeft door zijn eigenaardige invallen eenige bijdragen voor gezelligen kont geleverd, die de oudjes zoo smakelijk wisten te verhalen, als er over het slot en den "jonker" gesproken werd, dat we niet kunnen nalaten hier een paar over te vertellen.
Ze luiden aldus:

Baas Schoenmaker werd aan 't slot geroepen. De "frelle", een zuster van den jonker, moest hij de maat nemen voor een paar schoenen. Aangediend, kon hij naar binnen komen in de fraaie salon. Baas waagde het natuurlijk niet op zijn muilen de kamer in te gaan, maar liet die voor de deur staan, deed wat van hem verlangd werd en ging toen weer heen. De Jonker liet hem uit, doch nam ongemerkt den baas bij 't voetje door in zijn muilen te stappen en hem één lang en twee breed er naar te laten zoeken. Noch in den gang, noch voor de buitendeur werden ze gevonden en baas verzekerde dat hij er toch mee gekomen was. Hij meende wel te zien dat de Jonker ze aanhad, doch durfde dat vermoeden niet uit te spreken, te meer omdat de Jonker ijverig meezocht en 't geval even vreemd vond als baas zelf. Het einde van de grap was, dat baas in een paar groote jacht- of rijlaarzen van den Jonker terecht kwam en zoo de buurt door marcheerde naar zijn winkel, waar even later de muilen arriveerden.

Zoo werd ook Jan Snieder, een bizonder type van het oude snijdergild, die zich verbeeldde het altijd even druk te hebben, bij den Jonker geroepen om hem een pak te meten. Jan spoedde zich naar 't slot en moest even....wachten. De Jonker verwees hem daartoe naar een kamer, doch Jan waagde het hoofdschuddende op te merken, dat hij het erg druk en dus geen tijd had te verliezen. "Neen, zoo meteen!" - werd hem gezegd - en mocht het al even duren, dan moest hij zich maar bedienen - flesch en glazen stonden op tafel. Met werd de deur gesloten en toen Jan alleen in het deftig vertrek en op heete kolen gezeten, al een paar malen de kunstige schilderingen van plafond en wanden had bekeken, benevens al wat er verder voor bezienswaardigs werd gevonden, liet de Jonker van "zoo meteen" nog altijd op zich wachten en hem dacht nu maar eens gebruik te maken van de aangeboden vriendelijkheid en zich eens in te schenken. Hij sprak de flesch aan, doch wie beschrijft zijn verbazing toen die ledig bleek te zijn en hij na langer dan een uur wachtens goed vond de kamer te verlaten om te vragen: of men hem soms ook vergeten had en toen de deur gesloten vond, zoodat hij er wel den heelen dag kon blijven zitten en mogelijk nog langer......
En hij had het zoo druk!
Jan waagde het ten langenleste op de deur te kloppen, al harder en harder....doch niemand verscheen, tot eindelijk des snijders onrust ten top was gestegen en plotseling de deur werd opengedraaid en de Jonker binnentrad, die schijnbaar nog verbaasder dan Jan, zijn verwondering te kennen gaf over diens eenzame opsluiting met een ledige flesch en over zooveel uren geduldig wachten, wanneer men het erg druk heeft.
Dat de tijd nog geen "verloren" tijd was voor Jan, wist ieder die den Jonker kende.

Zoo zijn er nog meer verhaaltjes uit dien goeden ouden tijd, toen het in en rond het slot zoo geheel anders en nog in volle fleur was. Gelijk sommigen zullen weten, hoewel de sporen nauwelijks meer te vinden zijn, liep er vroeger een prachtige laan met hoog en laag geboomte van Osinga State naar de Koevordermeer. Een lange strook bosch is er nog van overgebleven.

Aan het einde der laan stond destijds op den oever van het schilderachtig gelegen meer een fraaie koepel met beschreven ruiten. Als al het hooge geboomte, is het zomerhuis verdwenen, 't werd afgebroken en naar ik meen de afbraak verkocht. De ruiten en ramen er van verhuisden naar een boerderij te Dijken, waar zo nog jaren lang dienst hebben gedaan en veel bekijks hebben gehad, van wege het kreupelrijm, waarmede ze versierd waren. Het was met diamant, keurig fraai er op gezet, hoewel het geen geboren dichter tot vader heeft gehad, gelijk den lezer kan blijken uit de versjes zelve, die we heir laten volgen:

Ik zie hier huizen, velden boomen,
Klare beeken, waterstroomen,
Ik hoor 't gezang der voog'lenrei;
Ik zie de beesten in de wei:
Ossen, koeien, varkens, schapen.
'k Zie langs 't pad marcheeren knapen,
Kloris gaat naar Cloe heen,
Komt terug schijnt wel te vreen.
'k Hoor 't ooi al om zijn lamm'ren blaten,
en 'k zie de eenden in de waat'ren,
En dan nog daarginder veer
Schepen zeilen op de Meer

Vermaaklijk veld- en boomgezigt,
Daar al de weidsche praal voor zwigt,
Van groot en rijkbevolkte steden:
Men ziet hier al wat d'oogen lust,
Als men genoeg'lijk woont en rust.
Dan schijnt deez' oorde een hof van Eden,
Te weten na den val,
Want distelen en doornen, die wassen hier al mede,
Ei zie maar in den wal!

Door vererving kwam Osinga State eindelijk in 't bezit van de Hollandsche familie De Beaufort, nadat het jaren lang had ledig gestaan. Wel is het de laatste jaren nog bewoond geweest door huurders, die een gedeelte in gebruik hadden - 't geheel toch telde ze en dertig vertrekken, groot en klein, - doch de opbrengst kon zeker lasten en onderhoud niet dekken, waarom de eigenaar, het niet meer beschouwende als een kostbare (tamdie ?) relequie, maar eer als een waarschuwend momento morei, den "verkoop bij afbraak" liet annonceeren. Al wat kunstwaarde had werd er uitgebroken en naar Utrecht vervoerd, waar oud-behangsel, houtsnijwerk, antieke spiegels en geschilderde plafonds, op nieuw in eere en aanzien zijn gesteld.

't Slot kwam onder den hamer van den notaris en de moker van den breker was reeds opgeheven om geen steen op de anderen te laten, toen er op de avond van den finalen verkoop plotseling gefluisterd werd: 't slot mag wel blijven staan en in dat geval is er wel grond bij in erfpacht te krijgen.
Onverwacht daagde er nu een kooper op en 't slot - hoewel niet in zijn geheel - is behouden gebleven als een sieraad van het schaduwrijke dorpje met zijn sierlijke linden -allee en zijn prachtig "Meerzicht".

Eende der voorwaarden van den verkoop was luidende, dat al wat aan waarde bij den afbraak of restauratie gevonden werd, aan den verkooper zou komen. Men fluisterde toch van aanzienlijke schatten, die er verborgen konden zijn en had daar zijn gronden voor, doch de fundamenten en de benedenverdieping met de vleugels zijn gebleven en wat er aan 't licht is gekomen, was van luttele waarde.
Slechts enkele oude zilveren muntstukken werden achter de weggesloopte paneelen gevonden  en wat er verborgen kan zijn, kan nog lang verborgen blijven, want hecht zijn de muren en sterk is de geheele bouw. Al was de herstellende hand er in de laatste veertig jaren niet aan gehouden, toch bleek het weinig geleden te hebben van den knagenden tandsdes tijds.

Van 't dak kwamen p.m. 15 duizend halve K.g. lood, zware gave balken werden er gevonden van 15 meter en 't metselwerk bleek na afgeschrobt te zijn, zoo keurig netjes te wezen, dat men geneigd is te vragen: zijn we in die kunst achteruit gegaan?
De timmerlieden die het restaureerden, vertelden me, dat het voor hen aan afbraak minstens f 5000 waarde zou hebben gehad.

Hoe 't zij, wij verheugen ons, dat Osinga State voor ons dorpje behouden is gebleven.